Vakblad Land + Water schreef een artikel over de CIRCUROAD-proefvakken die werden aangelegd in de provincie Utrecht. Op de N210 bij IJsselstein liggen sinds oktober drie ogenschijnlijk gewone asfaltvakken. Toch markeren deze 300 meter lange stroken een volgende stap in een fundamentele transitie van de asfaltketen. In plaats van volledig fossiel bitumen is in deze proef een deel van het bindmiddel vervangen door biobased alternatieven, afkomstig uit reststromen van landbouw, bosbouw en papierindustrie.
De proef, uitgevoerd door Dura Vermeer in opdracht van de Provincie Utrecht, staat niet op zichzelf. Zij maakt deel uit van een bredere zoektocht naar fossielvrije, circulaire wegverharding, gebundeld in het landelijke programma CIRCUROAD.
De aanleiding voor de proef ligt in de duurzaamheidsdoelen die de provincie Utrecht samen met haar raamcontractpartners heeft geformuleerd. Klimaatneutraal, circulair en klimaatadaptief werken zijn daarbij leidend. Voor asfalt vertaalt zich dat in een expliciete asfaltstrategie voor de komende jaren. Die richt zich niet op één maatregel, maar op een samenhangend pakket: meer hergebruik van asfalt (PR/RAP), productie bij lagere temperaturen én het toepassen van biobased materialen.
De biobased proefvakken passen in die bredere lijn. Het doel is niet experimenteren om het experiment, maar het voorbereiden van grootschalige toepassing. Als de prestaties gelijkwaardig blijken aan conventioneel asfalt, wil de provincie dit type mengsel breder inzetten. Belangrijk daarbij is dat de opgedane kennis niet binnen de provinciegrenzen blijft, maar via CIRCUROAD wordt gedeeld met andere wegbeheerders en marktpartijen.
Drie bindmiddelen
In de proef op de N210 zijn drie verschillende biobased bindmiddelen toegepast, ontwikkeld door Esha, Latexfalt en BituNed. Deze bindmiddelen zijn vooraf in laboratoria getest door een bredere groep aannemers, waaronder KWS, Boskalis, AsfaltNu en Dura Vermeer. In alle drie de mengsels is circa 30 procent van het fossiele bitumen vervangen door biobased componenten.
Het fundamentele verschil met traditioneel bitumen zit in de herkomst van het bindmiddel. Waar bitumen een aardolierestproduct is, maken de biobased varianten gebruik van hernieuwbare reststromen. Binnen CIRCUROAD wordt daarbij bewust gekozen voor grondstoffen die langjarig en op commerciële schaal beschikbaar zijn, en door meerdere aanbieders geleverd kunnen worden. Die keuze is belangrijk om opschaling mogelijk te maken en afhankelijkheid van één specifieke grondstof of leverancier te voorkomen.
De bindmiddelen verschillen van fossiel bitumen doordat een deel van het fossiele bindmiddel is vervangen door biobased componenten, maar het uitgangspunt van de proef is nadrukkelijk gelijkwaardigheid in prestaties. De komende vijf jaar moet blijken of dat uitgangspunt standhoudt.
N210 als ‘zebraproef’
De proefvakken zijn op 9 en 10 oktober van het afgelopen jaar aangelegd op de N210 nabij IJsselstein, tussen de rotonde Benschop en het Albert Schweitzerplein. CIRCUROAD werkt hierbij met zogenoemde zebravakken: per biobased bindmiddel 300 meter proefvak, gevolgd door 300 meter referentieasfalt. In totaal ontstaat zo een aaneengesloten traject van 1.200 meter, waarin prestaties onder vrijwel identieke verkeers- en omgevingscondities kunnen worden vergeleken.
Voor de verwerking waren zelf geen ontwerpaanpassingen of afwijkende uitvoeringsmethoden nodig. Wel vergde de proef een zorgvuldige afstemming met de asfaltcentrale, omdat meerdere mengsels in relatief kleine hoeveelheden geproduceerd moesten worden op moment van uitvoering.
Leren van eerdere proeven
De Utrechtse proef bouwt voort op eerdere ervaringen. In 2024 werd binnen de provincie al een proefvak aangelegd met een biocirculair bindmiddel, destijds met KWS/Van Kessel. Na anderhalf jaar voldoet die deklaag nog steeds aan alle eisen, zonder afwijkingen in stroefheid of steenslagverlies. Ook binnen CIRCUROAD zijn elders in het land al stappen gezet, bijvoorbeeld bij InnovA58 (outdoor living lab van Rijkswaterstaat) en in Drenthe bij Meppel. Die projecten vallen buiten de directe verantwoordelijkheid van Utrecht, maar dragen wel bij aan de gezamenlijke kennisbasis.
Vijf jaar meten, vergelijken en valideren
Omdat het uiteindelijke doel grootschalige toepassing is, wordt zwaar ingezet op monitoring en validatie. De proefvakken worden de komende vijf jaar gevolgd op aspecten als slijtage, stroefheid, rafeling, scheurvorming en vermoeiingsgedrag. Dat gebeurt niet alleen met bestaande meetmethoden, maar ook via de ontwikkeling van nieuwe testprotocollen, in samenwerking met onder meer het Asfalt Kwaliteitsloket en het Innovatie Test Center van Rijkswaterstaat.
Daarnaast speelt duurzaamheid in bredere zin een belangrijke rol. Met levenscyclusanalyses (LCA), CO2-berekeningen en milieukostenindicatoren (MKI) wordt inzicht verkregen in de milieu-impact. Universiteiten zoals TU Delft en de Universiteit Utrecht leveren hierbij fundamentele kennis. Ook emissies en geur krijgen aandacht, onder meer via beoordeling van MSDS- en TDS-documentatie van grondstofleveranciers.
Recyclebaarheid als randvoorwaarde
Een belangrijk uitgangspunt van CIRCUROAD is dat biobased asfalt volledig recyclebaar moet blijven. In de proefvakken wordt daarom gewerkt met Reclaimed Asphalt Pavement (RAP). Voor deklagen hanteert CIRCUROAD een bandbreedte van 30 tot 45 procent RAP, voor onderlagen circa 60 procent. Deze percentages worden gevalideerd binnen het Biobased BindMiddel-project. Andere verhoudingen zijn technisch denkbaar, maar de focus ligt op oplossingen die bij succes direct grootschalig toepasbaar zijn binnen de bestaande asfaltketen.
Onzekerheden en aandachtspunten
Hoewel de verwachtingen positief zijn, ziet de provincie ook duidelijke aandachtspunten. Met name rafelingsgevoeligheid, blijvende stroefheid en herbruikbaarheid aan het einde van de levensduur worden kritisch gevolgd. Pas als kan worden vastgesteld dat biobased asfalt op deze punten gelijkwaardig is aan traditioneel asfalt, komt bredere toepassing in beeld. Ook de Total Cost of Ownership maakt deel uit van die afweging.
CIRCUROAD als versneller
De kracht van de Utrechtse proef zit niet alleen in het asfalt zelf, maar vooral in de manier waarop kennis wordt georganiseerd. CIRCUROAD fungeert als branchebreed samenwerkingsverband waarin bedrijven, overheden en kennisinstellingen gezamenlijk risico’s beheersen en marktintroductie voorbereiden. Dat is geen overbodige luxe: jaarlijks wordt in Nederland circa 6,5 miljoen ton asfalt geproduceerd, met een ketenuitstoot van ongeveer 565.000 ton CO2. Het fossiele bindmiddel is daarin verantwoordelijk voor het grootste deel van de emissies.
CIRCUROAD werkt toe naar een ingroeimodel: tot 2030 maximaal 30 procent biobased bindmiddel, daarna een geleidelijke opschaling richting 100 procent in 2050. Daarmee sluit het programma aan bij nationale klimaatdoelen en bij initiatieven zoals het Nationaal Platform Duurzame Wegverharding en het Provinciaal Vakgenoten Overleg Verhardingen.
Lessen voor andere wegbeheerders
Voor andere provincies en gemeenten laat de Utrechtse proef zien dat technologische innovatie hand in hand moet gaan met organisatie en samenwerking. Alle provincies nemen deel aan CIRCUROAD en hebben via het Provinciaal Vakgenoten Overleg Verhardingen (PVOV) afgesproken biobased bindmiddelen toe te passen conform het ingroeimodel uit CIRCUROAD. Gemeenten zijn hierbij aangehaakt via de asfaltketenbijeenkomsten van BouwCirculair. Zo ontstaat een gedeelde basis, waarin leren, opschalen en standaardiseren samenkomen.
Stap voor stap richting norm
De proef op de N210 is dus een meetmoment in een langere ontwikkeling. Door stap voor stap te testen, te meten en te delen, werken provincie en markt toe naar een situatie waarin fossielvrij asfalt niet langer een pilot is, maar de nieuwe norm. De komende jaren zullen uitwijzen of biobased bindmiddelen die belofte ook in de dagelijkse praktijk waarmaken.
Bron: Herman de Haan - Land + Water